13 mei 2016
hisse
Door
hisse

Bewijslast permanente bewoning recreatiewoning.

Het kan nog wel eens lastig zijn om te bewijzen dat een recreatiewoning permanent wordt bewoond.

Dat ervoer ook de gemeente Groesbeek toen zij iemand aanschreven om binnen drie maanden de ‘permanente bewoning’ van zijn recreatiewoning te staken. Er was een dwangsom opgelegd van € 25.000 ineens.

De beste man was het hier niet mee eens en ging naar de Raad van State. Hij gaf aan dat hij het grootste deel van het jaar in het buitenland verbleef. Hij kon dat met bewijsstukken onderbouwen.

De gemeente moet aantonen dat een recreatiewoning permanent wordt bewoond, of in ieder geval aantonen dat er een sterk vermoeden daarvoor is. Het is aan de aangeschrevene om dit vermoeden te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan moet de rechter van het vermoeden uitgaan en permanente bewonen vaststellen.

Een belangrijke aanwijzing voor de gemeente voor permanente bewoning van deze is dat een hypotheek op de woning was afgesloten en de hypotheekrente als aftrekpost werd opgevoerd. Dit werd door de belasting geaccepteerd. De Afdeling overweegt dat dit bijdraagt aan het vermoeden dat de recreatiewoning als hoofdverblijf wordt gebruikt. Aan de andere kant stonde de bewoners op een ander adres in de bevolkingsregistratieregister ingeschreven, maar dat betrof geen zelfstandige woonruimte.

De gemeente heeft gedurende een half jaar controles uitgevoerd bij de woning en daar rapportages van opgemaakt. Appellant noch zijn echtgenote zijn daar geen enkele keer aangetroffen, alleen de auto van de echtgenote is onbeheerd aangetroffen.

In de rapporten is voorts vermeld dat de vakantiewoning een bewoonde indruk maakte en dat de voortuin er netjes bij lag. Wat feitelijk onder een bewoonde indruk moet worden verstaan, wordt uit de controlerapporten niet duidelijk. Hetzelfde geldt voor de tuin die er netjes bij lag. De afdeling bestuursrecht kan hier dan ook niets mee.

De Afdeling vindt dat het college onvoldoende feiten heeft gesteld die vermoeden dat er sprake was van permanente bewoning als bedoeld in de planregels. De Afdeling betrekt hier nadrukkelijke bij dat appellant onder overlegging van bewijsstukken heeft gesteld dat hij het grootste deel van het jaar in het buitenland verblijft. Mede gelet hierop rechtvaardigen de omstandigheden dat hij op het BRP-adres niet beschikt over zelfstandige woonruimte en hij de recreatiewoning in aanmerking heeft gebracht voor hypotheekrenteaftrek op zichzelf niet het vermoeden dat sprake is van permanente bewoning als bedoeld in de planregels bij het bestemmingsplan.

Het beroep is dus gegrond verklaard.

Uit eigen ervaring (opdrachten) weet ik dat er meer bewijsvoering moet zijn om permanente bewoning aan te kunnen tonen. Dat kan zelfs zover gaan dat postzakken moeten worden geleegd om na te gaan of er bijvoorbeeld abonnementen van kranten of lidmaatschappen op het adres staan. Ook lidmaatschappen van verenigingen in de nabijheid van de recreatiewoningen kunnen daarbij een rol spelen.

Aangezien de privacy wetgeving een grote rol speelt is het nog niet zo eenvoudig om in een goede volgorde voldoen bewijsmateriaal te vergaren en zoals gesteld in deze uitspaak kon hier worden aangetoond dat de man het grootste deel van het jaar in het buitenland verbleef. Zet dat maar af tegen de meeste planvoorschriften in dit soort bestemmingsplannen dat het moet gaan om het hele jaar of het grootste deel van het jaar feitelijk op het adres te wonen, dus minimaal 6 maanden per jaar. Dat hoeft dus niet aaneengesloten te zijn, zodat je veelal een jaar moet controleren met niet teveel tussenpozen.

RvSt 11 mei 2016, nr. 201505547/1

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer