25 december 2015
hisse
Door
hisse

De melding en haar rechtsgevolg.

Er bestaat nog steeds ongewisheid over de rechtsgevolgen van een reactie van het bevoegd gezag op een melding.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft hier dan ook jarenlang voeding aan gegeven.

Volgens mij is die duidelijkheid er nu wel, maar het bevoegd gezag is hier nog lang niet altijd in de uitvoering op ingespeeld.

Hoe zit het nu. Allereerst de omslag.

Op 12 november 2014 heeft Staatsraad Advocaat-Generaal Mr. Widdershoven een advies over de status van de melding uitgebracht aan de Raad van State[1]. Dit advies is door de Afdeling overgenomen en daarmee heeft de Afdeling voor een heldere lijn gekozen.

Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag met een melding beoogt dat een activiteit mag worden uitgevoerd als bij de uitvoering van deze activiteit de algemene regels, die daarvoor  zijn gesteld, in acht worden genomen.

Voor de melder geldt dat hij met een (tijdige) melding aangeeft dat hij voornemens is om een activiteit te ontplooien en met die activiteit de algemene regels die daarvoor zijn gesteld in acht zal gaan nemen.

Een dergelijk meldingenstelsel voorziet niet in de verplichting voor het bevoegd gezag om op de melding te reageren indien het bevoegd gezag met de activiteit kan instemmen.

Maar wat als het bevoegd gezag wel schriftelijk op een melding reageert?

 

Het bevoegd gezag stuurt bijvoorbeeld een bericht van ontvangst van de melding.

Is dat bericht van ontvangst nu gericht op rechtsgevolgen? De melding bewerkstelligt dat een activiteit mogelijk wordt gemaakt die niet mocht worden uitgevoerd zonder melding, althans dan kleeft er in ieder geval een gebrek aan.

In het verleden oordeelde de Afdeling hier casuïstisch op.

Het standpunt van de Afdeling is na 12 november 2014 eenduidig. De rechtsgevolgen die intreden door het doen van een tijdige melding ligt opgesloten in de materiële wetgeving waarop die melding stoelt. Die melding wordt beheerst door algemene regels, waarbij niet is voorzien in een reactie van enig bestuursorgaan.

Met andere woorden: het bericht van ontvangst door het bevoegd gezag op een melding die door algemene regels wordt beheerst, brengt geen rechtsgevolg met zich teweeg, en tegen dat bericht van ontvangst staat geen procedure (meer) open[2].

Maar is dat het dan?

Eigenlijk wel, maar de Nederlandse overheden zijn zo gewend om de regelgeving niet eenduidig vast te stellen dat de volgende voorbeelden uit de jurisprudentie boekdelen spreken.

De Afdeling heeft dus ten principale uitgemaakt dat in een dergelijke situatie het versturen van een bericht van ontvangst een feitelijke handeling is, die niet is gericht op rechtsgevolg.

Stel nu dat het bevoegd gezag naar aanleiding van de melding aanvullende regels wil stellen? In de regeling wordt bepaald dat, indien niet aan de voorwaarden  waarvoor de meldingsplicht geldt wordt voldaan er een vergunning dient te worden aangevraagd. De aanvrager dient dan een aanvraag voor een vergunning in te dienen en kan niet volstaan met een melding. Een schoolvoorbeeld hiervan is RvSt 6 november 2015[3], waarbij een melding op grond van art. 19kd Nbw (PAS) wordt gedaan.

Er komt een melding binnen bij het bevoegd gezag voor het maken van een (tweede) uitweg. Naast het meldingscriterium bevat de APV onder meer de regeling dat het bevoegd gezag kan instemmen met het maken of veranderen van de uitweg indien het de aanleg betreft van een tweede uitweg. Het bevoegd gezag verbiedt vervolgens de aanleg van deze uitweg ca zeven weken na ontvangst van de melding.

De Afdeling overweegt dat, gelet op de bepalingen in de APV, het bevoegd gezag moet worden geacht met de melding te hebben ingestemd. Het bevoegd gezag was door overschrijding van de gestelde termijn, niet meer bevoegd een besluit te nemen omtrent de melding, welk gebrek dient te worden geredresseerd, waarvoor het nodig is dat daartegen tijdig wordt opgekomen. De APV bevat een dwingend voorgeschreven termijn[4]. In deze zaak had de lokale wetgever naar mijn mening de regeling op grond van de nieuwe lijn van de Afdeling anders moeten redigeren in de APV om het gewenste resultaat te verkrijgen.

“In dit meldingenstelsel vloeit het rechtsgevolg voort uit de wet omdat de melding geen voorwaarde is voor de gelding van de algemene regels. Deze regels zijn zonder nader afwegingsmoment van toepassing. De melding heeft tot doel het bevoegd gezag in kennis te stellen van de voorgenomen activiteit in verband met het houden van toezicht op de naleving van de algemene regels[5]”.

Idem RvSt 24 juni 2015[6]: op grond van het Bouwbesluit kan een sloopmelding worden gedaan. Het bevoegd gezag kan na een sloopmelding nadere voorwaarden opleggen aan het slopen indien deze noodzakelijk zijn voor het voorkomen of beperken van hinder of van een onveilige situatie tijdens het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden. Uit acceptatie van de sloopmelding vloeien geen rechtgevolgen voort. Het Bouwbesluit bevat slechts een verbod om zonder melding te slopen. Het bevoegd gezag heeft op grond van het Bouwbesluit niet de mogelijkheid om de melding niet te accepteren. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat het bevoegd gezag geen nadere voorschriften aan de acceptatie heeft verbonden, is de acceptatiebrief niet als een besluit aan te merken.

De laatste uitspraak in dit verband is van 30 september 2015[7]. Ook hier betreft het de melding van het maken van een uitweg. Een brief van het bevoegd gezag, verzonden binnen de termijn van zes weken na ontvangst van de melding, welke termijn in de APV is vastgelegd, die erop neerkomt dat, al dan niet onder voorschriften, met de melding kan worden ingestemd of dat deze wordt geaccepteerd, moet worden aangemerkt als een besluit.

 

Conclusies.

  1. Bij een melding is een bericht van ontvangst niet gericht op rechtsgevolg. Geeft de regeling aan dat de melding kan worden geaccepteerd, dan is een bericht tot acceptatie gericht op rechtsgevolg
  2. Indien het bevoegd gezag niet binnen de gestelde termijn op een melding reageert, ontstaat voor de melder het recht om een activiteit uit te voeren.
  3. Een beslissing van het bevoegd gezag, binnen de gestelde termijn, om de melding te verbieden – dan moet deze bevoegdheid wel in de regeling zijn opgenomen – of om nadere voorschriften aan de melding te verbinden is een besluit, nu deze beslissing aan het intreden van het rechtsgevolg genoemd in de betreffende regeling in de weg staat. De regeling moet wel de bevoegdheid aan het bevoegd gezag hebben geopend om aanvullend aan de algemene regels nadere voorschriften te mogen stellen of om de activiteit te verbieden.

 

 

 

[1] ECLI:NL:RVS:2014:4116

[2] ECLI:NL:RVS:2015:3491

[3] ECLI:NL:RVS:2015:3491

[4] ECLI:NL:RVS:2015:36

[5] ECLI:NL:RVS:2015:1884

[6] ECLI:NL:RVS:2015:1965

[7] ECLI:NL:RVS:2015:3030.

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer