7 maart 2015
hisse
Door
hisse

Gaat Omgevingswet maatwerk op milieuaspecten door lagere overheid toestaan?

De voorbeelden op de beleidsmiddag van de CommissieMER over de rol van gezondheid in planvorming en m.e.r. waren overduidelijk.

De roep om maatwerk te kunnen regelen was niet minder sterk.

Ook de bevoegdheid om bij vergunningverlening de achtergrondbelasting te kunnen laten meewegen werd veel gehoord.

Als voorbeeld werd genoemd de Wet geurhinder en veehouderij en de daarop gebaseerd Regeling geurhinder.

In die regeling zijn geurnormen opgenomen die gelden binnen, respectievelijk buiten de bebouwde kommen. Daarnaast zijn afstand opgenomen die veehouderijen in acht moeten nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten binnen, respectievelijk buiten de bebouwde kom.

Daarnaast is er nog onderscheid in concentratiegebied en andere gebieden.

Maar nu komt het: de raad heeft in dezelfde regeling de bevoegdheid om bij gemeentelijke verordening andere normen en andere afstanden vast te stellen per onderscheidend gebied in die gemeente. De gemeenten in Noord-Brabant en Limburg hebben veelvuldig gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Er kwam tijdens dit voorbeeld in de discussie gelijk al een randvoorwaarde aan: Dat geldt alleen voor milieunormen die niet in een Europese richtlijn zijn vastgelegd. En dat ondergraaft in de discussie weer de mogelijkheden die de gemeenten graag willen hebben.

Maar is dat werkelijk zo?

Nee! En nog eens Nee! De Europese milieunormen moeten vaak als plafond worden gebruikt, maar de Europese wetgever heeft niet de bedoeling daarmee gehad om alle milieuaspecten te laten vollopen tot aan dat plafond! Dat zou ook te gek zijn.

Hoe zit het dan wel en wat zijn de mogelijkheden die de Nederlandse wetgever heeft bij bijvoorbeeld de Omgevingswet?

Wij moeten eerst naar het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. In artikel 193 van dit Verdrag is bepaald dat ”De beschermende maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van artikel 192, beletten niet dat een lidstaat verdergaande beschermingsmaatregelen handhaaft en treft. Zulke maatregelen moeten verenigbaar zijn met de Verdragen. Zij worden ter kennis van de Commissie gebracht”.

 

Vervolgens moet worden gekeken naar de Europese richtlijnen of in die specifieke richtlijnen beperkingen zijn opgenomen. Dat zal in de regel niet het geval zijn. In ieder geval niet voor de luchtkwaliteit.

Met andere woorden zijn er dan wel wettelijke belemmeringen voor de lagere overheid om scherpere normen vastte stellen?

Jazeker:  Kijk bijvoorbeeld eens naar artikel 5.6 Wet milieubeheer: “In afwijking van titel 5.1 gelden ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht uitsluitend deze titel, bijlage 2 en de op deze titel berustende bepalingen. Dus: voor normen betreffende de luchtkwaliteit, bijvoorbeeld fijn stof, mogen de lagere overheden van de landelijke overheid geen andere en dus ook geen lagere normen vaststellen, ook niet voor bepaalde gebieden in een gemeente waar veel knelpunten voorkomen.

 

De Omgevingswet hanteert echter het principe van: decentraal wat decentraal kan. Geen bevoogding als dat niet hoeft.

De gemeenten zijn de spil tussen de belangen van de veehouderij en de burgerbevolking. Gezondheidsaspecten spelen in de discussies en hoe langer hoe grotere rol. Probleem daarbij is dat de rol van de gezondheid niet altijd hard valt aan te tonen bij het houden van grote aantallen dieren. Maar als de landelijke regelgeving de opening biedt aan lagere overheden om afwijkende regels in beleidsplannen vast te stellen, dan kunnen gemeenten hun belangenafweging  breder uitvoeren. Cumulatie van overlast hoort daar ook bij. De Zorgvuldigheidsformule die door een provincie is opgesteld geeft aan dat de lagere overheden de zorgvuldigheid in acht nemen en kunnen objectiveren.

Het is te wensen dat de discussie over deze mogelijkheid die juridisch kan worden gecreëerd in de Omgevingswet tijdig, dus de komende periode volop zal worden gevoerd.

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer