14 november 2020
hisse
Door
hisse

Is een persbericht altijd Wob gevoelig?

Persberichten als actieve informatieverstrekking: is een persbericht altijd Wob gevoelig?

Inleiding

Een veel gehoorde klacht is dat de overheid transparanter moet werken. Dat heeft dan twee effecten: de overheid is een bestuurlijk orgaan dat publiekelijk verantwoording verschuldigd is over de uitoefening van haar taken en de samenleving weet waar zij aan toe is, welke handelwijze zij van de (haar) overheid kan en mag verwachten.

Eén van de instrumenten waarvan de overheid regelmatig gebruik maakt, is het publiceren van persberichten, denk bijvoorbeeld aan het bekend maken van nieuw beleid. In de handhaving is dit inmiddels ook een vast gebruik geworden.

Een persbericht is een document in de zin van artikel 1 van de Wob. Een persbericht kan daarbij een vorm van actieve informatieverschaffing zijn in een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in artikel 8 van de Wob. De vragen die bij actieve informatieverstrekking opkomen zijn of alle persberichten met betrekking tot een bestuurlijke aangelegenheid onder artikel 8 van de Wob vallen en door de rechter kunnen worden getoetst. En wat is daarbij het meest geschikte moment voor het uitbrengen van een persbericht en kan een betrokkene nog invloed uitoefenen op het persbericht?

Ik ben hier recent tegenaan gelopen in een handhavingszaak en ik heb gezocht in mijn verzameling uitspraken over de Wob en in het bijzonder naar uitspraken die ook betrekking kunnen hebben op persberichten.

Wob

Voordat ik de relevante uitspraken behandel eerst de relevante bepalingen in de Wob.

Artikel 1, aanhef en onder a: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder document: ‘een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat’.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, verschaft het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede democratische bestuursvoering.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, onder g, blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Het valt op dat er in de Wob niet wordt gesproken over besluiten van het bevoegd gezag. Er moet sprake zijn van ‘documenten: ‘een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat’. Hieruit moet worden opgemaakt dat het documentbegrip in de Wob heel ruim is. Vergelijk ABRvS 8 juli 2015[1]. In deze uitspraak merkt de Afdeling, voor zover van belang, op: ‘Nu de minister aan de hand van deze reis- en verblijfdeclaraties beslist of al dan niet uit publieke middelen tot uitkering van de gedeclareerde kosten wordt overgegaan, hebben de reis- en verblijfdeclaraties betrekking op het beleid van de minister en derhalve op een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob’.

Het moet dus gaan om een bestuurlijke aangelegenheid: ‘het openbaar bestuur in al zijn facetten[2]’ dit zou betekenen dat het niet relevant is of een document een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, met andere woorden, het is niet noodzakelijk dat het document gericht moet zijn op rechtsgevolgen. Dat volgt overigens ook al uit vele uitspraken waarin onderzoeksrapporten, adviezen aan het bestuur en ook (interne) mailtjes over bestuurlijke aangelegenheden op grond van een Wob-verzoek moeten worden overlegd. Deze documenten moeten dan worden getoetst aan de beperkingen van artikel 10 van de Wob.

Jurisprudentie

Voordat de vraag ten aanzien van persberichten kan worden beantwoord zal ik naast de reeds aangehaalde jurisprudentie een aantal uitspraken de revue laten passeren die naar mijn mening van belang zijn voor de vraagstelling.

Besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb

De eerste uitspraak waarnaar ik verwijs is de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2006[3]. Het betreft hier de actieve openbaarmaking van een rapport opgesteld door een adviesbureau in opdracht van een gemeente over een mogelijke belangenverstrekking bij die gemeente.

In die uitspraak wordt overwogen dat artikel 10 van de Wob ‘.. geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de in die bepaling gevergde afweging niet ook dient plaats te vinden indien het bestuur uit eigener beweging voornemens is tot openbaarmaking, op voet van artikel 8, eerste lid, van de Wob, van informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, waarbij de in artikel 10 van de Wob betrokken belangen zijn betrokken’. De Afdeling overweegt vervolgens dat ’Het ervoor moet worden gehouden dat artikel 8, eerste lid, van de Wob, in zoverre het gaat om het openbaarmaken van informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid waarbij belangen als vermeld in artikel 10 van de Wob zijn betrokken, de grondslag biedt voor het nemen van besluiten, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen voor degenen die door dat besluit rechtstreeks in hun belang worden getroffen, dezelfde rechtsgang openstaat als die welke beschikbaar is voor degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen door een besluit tot openbaarmaking van documenten dat is genomen op een verzoek als bedoeld in artikel 3 van de Wob.’

Deze uitspraak wordt gezien als een breuk met voorgaande jurisprudentielijn. Voorheen werd het uit eigen beweging openbaarmaken van documenten (art. 8) als feitelijke handeling gezien. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling een andere jurisprudentielijn ingezet, nl. dat het actief openbaarmaken van documenten waarbij de in artikel 10 van de Wob betrokken belangen zijn betrokken, de grondslag biedt voor het nemen van Awb-gevoelige besluiten.

De Afdeling legt voor de toepassing van de Wob dus wel een verband met besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

Op zich is dit een logische stap. Alle documenten die tot een besluit hebben geleid, of juist niet, dienen openbaar te worden gemaakt om de besluitvorming van de overheid te kunnen doorgronden. Er zijn dan ook veel uitspraken waaruit blijkt dat rapporten, onderzoeken en interne mailtjes die feitelijkheden een aanbevelingen bevatten en op zich geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb, onder de Wob vallen indien er een besluit mede op grond – of juist niet – van die rapporten is genomen. Zo kan uit de uitspraak van 2015 ten aanzien van reisdeclaraties de conclusie worden getrokken dat het document – de reisdeclaraties – betrekking heeft op het handelen van het openbaar bestuur en derhalve op een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob’.

Uitbrengen van een Waarschuwing

Ter illustratie twee uitspraken waarbij het bevoegd gezag een waarschuwing heeft uitbracht.

De eerste uitspraak is van ABRvS van 16 november 2011[4]. In deze zaak hebben B&W een officiële waarschuwing gegeven op grond van de Verordening op de woning- en kamerbemiddelingsbureau 2006 aan een bemiddelingsbureau die met naam en adres wordt genoemd. Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard. In beroep overweegt de Afdeling ‘dat de waarschuwing geen voorwaarde is om tot intrekking van de vergunning over te gaan en dat de waarschuwing geen directe rechtsgevolgen met zich meebrengt. De bepaling in de verordening waarin de waarschuwing is neergelegd verbindt niet een rechtsgevolg dat niet reeds voortvloeit uit de overtreden bepaling’. Een waarschuwing als hier bedoeld kan dan ook niet worden bedoeld als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Aan een inhoudelijke toetsing wordt niet toegekomen. Als ik de lijn van de Afdeling begrijp zou dit betekenen dat openbaarmaking van deze waarschuwing niet kan worden getoetst aan artikel 10 van de Wob. Er ligt immers geen besluit aan ten grondslag.

De tweede uitspraak is van ABRvS 2 mei 2018[5]. In deze uitspraak overweegt de Afdeling dat het bevoegd gezag op grond van de Arbeidsomstandighedenwet een waarschuwing als besluit kan nemen: “Een dergelijke waarschuwing is in ieder geval een besluit als de waarschuwing een voorwaarde is voor het toepassen van een sanctiebevoegdheid in bepaalde situaties en dus een essentieel onderdeel is van een sanctieregime. Hierbij is, anders dan zou kunnen worden afgeleid uit de hierboven vermelde uitspraak van de Afdeling van 16 november 2011, niet van belang of bij het opleggen van de sanctie nog een belangenafweging moet plaatsvinden. Het bestaan van de waarschuwing is immers hoe dan ook een toepassingsvoorwaarde voor de uitoefening van de sanctiebevoegdheid’. In die situatie dient bij publicatie van de waarschuwing dus wel te worden getoetst aan artikel 10 van de Wob.

Openbaar maken boetebesluiten en randvoorwaarden Wob

Een belangrijke uitspraak waarnaar de Afdeling bestuursrecht regelmatig verwijst is die van 10 november 2010[6]. Het betreft hier het openbaar maken van een boetebesluit, waarbij wel de namen van de bestuurders zijn geanonimiseerd, maar niet de namen van de rechtspersonen. Het geschil beperkt zich tot de vraag op welk moment de in het boetebesluit genoemde namen van de betrokken rechtspersonen mogen worden gepubliceerd.

De Afdeling overweegt dat: ‘een boetebesluit wordt genomen in het kader van het toezicht houden op de naleving van regelgeving en de daarmee samenhangende bevoegdheid om handhavend op te treden tegen overtreding van die regelgeving. De Afdeling overweegt allereerst dat het in het kader van deze toezichthoudende taak past dat boetebesluiten worden gepubliceerd, zodat bekendheid wordt gegeven aan de wijze van uitvoering van deze taak. Dat is de grondslag neergelegd in artikel 8, eerste lid, van de Wob. Vervolgens overweegt de Afdeling dat artikel 8 en artikel 10 van de Wob in het algemeen de basis bieden om sanctiebesluiten volledig, met inbegrip van de namen van de betrokkenen, te publiceren. In geval van een voorgenomen spontane openbaarmaking is daarbij een nadere afweging van belangen geboden. Deze nadere afweging houdt in dit geval in dat het algemene belang dat door onverkorte openbaarmaking wordt gediend, wordt afgewogen tegen het belang van appellante om geen onevenredig nadeel te lijden als gevolg van de publicatie, waarbij aan het algemeen belang een groot gewicht moet worden toegekend.

Van een onevenredige benadeling zal in gevallen als de onderhavige naar het oordeel van de Afdeling sprake kunnen zijn als het boetebesluit uiteindelijk in rechte geen standhoudt en de betrokken rechtspersoon ten onrechte als overtreder kenbaar is gemaakt. Of sprake is van onevenredige benadeling hangt dan af van een oordeel over de rechtmatigheid van het boetebesluit. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb bestaat de mogelijkheid om, hangende bezwaar, beroep of hoger beroep met betrekking tot het boetebesluit, bij de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te vragen, met als argument dat het boetebesluit in bezwaar of beroep naar verwachting geen stand zal houden. Als voorlopige voorziening kan worden gevraagd dat het boetebesluit niet of op een bepaalde wijze openbaar wordt gemaakt. Dat voor beboete ondernemingen aldus de mogelijkheid bestaat om bij de ter zake van de boete bevoegde rechter een dergelijke voorlopige voorziening te vragen, brengt met zich dat bij gebreke van zo een getroffen voorziening het belang van het verstrekken van informatie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wob niet dient te wijken ter voorkoming van onevenredige benadeling van de beboete rechtspersonen of hiertoe te herleiden natuurlijke personen’.

Niet onbelangrijk is dat de Afdeling in dit kader tenslotte nog overweegt dat: ‘De Afdeling het van belang acht dat het college ter zitting heeft bevestigd dat belanghebbenden bij een boetebesluit de gelegenheid wordt geboden een voorlopige voorziening te vragen alvorens daadwerkelijk tot publicatie wordt overgegaan’.

In de uitspraak van 27 juni 2012[7] gaat het eveneens om een actieve publicatie van een boetebesluit. Het Commissariaat voor de Media heeft aan een omroep een boete opgelegd wegens overtreding van de Mediawet 2008. De Afdeling overweegt allereerst dat het bij de toezichthoudende taak past dat boetebesluiten worden gepubliceerd, zodat bekendheid wordt gegeven aan de wijze van uitvoering van deze taak. De Afdeling heeft in genoemde uitspraak van 10 november 2010 verder overwogen dat de artikelen 8 en 10 van de Wob in het algemeen de basis bieden om sanctiebesluiten volledig, met inbegrip van de namen van de betrokkenen te publiceren.

Vaststaat dat appellante geen voorlopige voorziening heeft verzocht om publicatie te voorkomen, hoewel uit de stukken van het Commissariaat volgt dat haar een wachttijd van 7 dagen is geboden om zo’n voorziening te vragen. Nu bovendien het oogmerk van de publicatie was gericht op voorlichting en niet op bestraffing, heeft verweerder de publicatie van het boetebesluit niet als boeteverlagende omstandigheid in aanmerking behoeven te nemen.

Vervolgens in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019[8]. Hier gaat het om een persbericht dat de Kansspelautoriteit (hierna Ksa) op haar website heeft geplaatst met als titel “Invallen Kansspelautoriteit in ….”. Daarin staat dat een bedrijfspand en twee woningen zijn doorzocht omdat er signalen waren over een mogelijk nieuwe variant op de gokzuil: Cash Centers. Op grond van de Wet op de kansspelen (hierna: Wok) is het aanbieden van sportweddenschappen zonder vergunning verboden, zo staat in het persbericht.

Dit persbericht wordt door appellanten opgevat als een waarschuwing. De Afdeling overweegt echter dat de Wok niet voorziet in de mogelijkheid een waarschuwing te geven aan het publiek. In dit geval gaat het om een persbericht dat geen aan [appellante] gerichte waarschuwing is. Het is in algemene bewoordingen opgesteld en vermeldt alleen dat wordt onderzocht of Cash Centers kunnen worden gebruikt voor het afsluiten van online sportweddenschappen en of er een direct verband bestaat tussen Cash Centers en dergelijke weddenschappen. De Ksa heeft geen overtreding geconstateerd en er wordt niet gewaarschuwd voor een specifieke overtreder. De Cash Centers van

[appellante]

worden niet als gokzuil aangemerkt in het bericht. Uit de bewoordingen “Aanleiding voor het onderzoek zijn signalen over een mogelijk nieuwe variant op het verschijnsel gokzuil: Cash Centers” blijkt dat het onderzoek zich richt op de productsoort in algemene zin en niet op het specifieke product van [appellante].

Alleen al omdat er in het persbericht geen overtreder is aangewezen en geen overtreding is vastgesteld, is er geen reden om het persbericht met een Awb-besluit gelijk te stellen in verband met de behoefte aan rechtsbescherming, aldus de Afdeling. De enkele mededeling van de Ksa dat onderzoek plaatsvindt naar een nieuwe variant op de gokzuil, is geen nadere concretisering van een norm uit de Wok.

‘Voor het kunnen aannemen van een besluit tot openbaarmaking van informatie uit eigen beweging is vereist dat de beslissing daartoe betrekking heeft op documenten. Het persbericht geeft geen informatie over documenten maar over feitelijk handelen, namelijk over de doorzoekingen die hebben plaatsgevonden en het doel daarvan. Uit het persbericht blijkt alleen dat onderzoek wordt gedaan naar Cash Centers, maar niet dat een overtreding is vastgesteld of dat iemand als overtreder is aangemerkt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het persbericht geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb’, aldus de Afdeling 

‘Dat ter voorbereiding hiervan documenten zijn opgesteld die bij de Ksa berusten, maakt niet dat sprake is van een openbaarmaking als bedoeld in artikel 8 van de Wob’.

Deze uitspraak verdient nadere aandacht. Allereerst de overwegingen van de Afdeling dat voor het kunnen aannemen van een besluit tot openbaarmaking van informatie uit eigener beweging het vereist is dat de beslissing daartoe betrekking heeft op documenten. En vervolgens: ‘Het persbericht geeft geen informatie over documenten maar over feitelijk handelen…’ moet hieruit de conclusie worden getrokken dat een persbericht niet als document wordt aangemerkt als bedoeld in artikel 1 van de Wob? Nadat de Afdeling vervolgens heeft overwogen dat uit het persbericht niet blijkt dat een overtreding is vastgesteld of dat iemand als overtreder is aangemerkt, wordt geconstateerd dat het persbericht geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het voldoet niet aan de vereisten van een besluit. Kan hieruit de conclusie worden getrokken dat een persbericht èn geen document is in de zin van artikel 1 van de Wob èn dat eerst aan de vereisten van een besluit moet voldoen om getoetst te kunnen worden aan de beperkingen van artikel 10 van de Wob? Bij nader inzien denk ik dat dit niet het geval is. Voordat de Afdeling tot deze conclusie komt overweegt de Afdeling nl. dat, voor het kunnen aannemen van een besluit tot openbaarmaking van informatie uit eigen beweging, het vereist is dat de beslissing tot het verstrekken van informatie betrekking moet hebben op documenten. Het persbericht in dit beroep geeft geen informatie over documenten, maar over feitelijk handelen. Ik lees dit zo dat aan een persbericht informatie over een besluit in de zin artikel 1:3 van de Awb moet staan. Indien daaraan geen besluit ten grondslag ligt – zoals in deze aanhangige zaak – dan moet het persbericht zelf de vereisten van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb bevatten om getoetst te kunnen aan de belangen in artikel 10 Wob. Zijn die belangen niet in het persbericht opgenomen, dan vindt er geen toetsing plaats.

Analyse

Wanneer dient een persbericht getoetst te worden aan de Wob?

De overheden maken een toenemend gebruik van hun bevoegdheid om actief informatie te verstrekken. Dat kan door middel van publicatie van een besluit (beleid of beschikking) of door bijvoorbeeld een persbericht met betrekking tot het beleid of een besluit. Denk bijvoorbeeld aan de periodiek gewijzigde richtlijnen in het kader van Covid-19.

In dit artikel staat de actieve informatieverschaffing over besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb door middel van persberichten centraal. Persberichten over beleidsaangelegenheden vallen dus buiten dit onderwerp.

Het uitgangspunt van actieve informatieverstrekking is dat het bij de uitvoerende taak van de overheid past dat besluiten, of persberichten daarvan, worden gepubliceerd, zodat bekendheid wordt gegeven aan de wijze van uitvoering van deze taak.

De centrale vragen daarbij zijn: in welke gevallen moeten persberichten worden getoetst aan de Wob en in de gevallen dat persberichten onder de Wob vallen, met welke randvoorwaarden in de Wob moet de overheid bij persberichten rekening houden?

Uit artikel 1 van de Wob blijkt dat het moet gaan om documenten: ‘een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat’. De informatie moet worden verschaft in begrijpelijke vorm en op zodanig wijze dat belanghebbende en belangstellende burgers zoveel mogelijk worden bereikt.

De term document is veel ruimer dan een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en de eerste vraag is dan ook of persberichten in alle gevallen documenten zijn als bedoeld in artikel 1 van de Wob, of zitten er voorwaarden aan verbonden?

In het SDU-commentaar op de Wob is opgenomen dat een beslissing om informatie uit eigener beweging te gaan verstrekken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb kan worden aangemerkt indien aan de volgende 3 voorwaarden is voldaan:

  1. De te openbaren informatie is vastgelegd in een document
  2. Deze informatie heeft betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid en
  3. Een of meer van de in artikel 10 van de Wob beschermde belangen zijn in het geding.

Dit zou betekenen dat een persbericht eerst onder de Wob valt als het voldoet aan de eisen van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hoewel op grond van de uitspraak van 29 mei 2019 kan worden getwijfeld of de Afdeling een persbericht als een document in de zin van artikel 1 van de Wob aanmerkt, ga ik er vooralsnog – totdat de Afdeling hierover duidelijkheid heeft gecreëerd – vanuit dat ook een persbericht, ook als deze uitsluitend feitelijkheden bevat, als een document moet worden aanmerkt. Immers informatie in vele schriftelijke stukken en in andere vormen bevatten uitsluitend feitelijkheden en deze worden bij openbaarmaking daarvan ook getoetst aan de Wob. Doortrekking van de lijn dat een persbericht waarin alleen feitelijkheden staan geen document in de zin van de Wob is zou tot de conclusie kunnen leiden dat ook onderzoeks- en adviesrapporten, die over bestuurlijke aangelegenheden gaan, niet onder de Wob vallen en dus niet openbaar hoeven te worden gemaakt voordat er een besluit is genomen waarop dat rapport betrekking heeft. Toetsing aan artikel 10 van de Wob en het verzoek weigeren omdat het nog deel uitmaakt van intern beraad zou dan ook juridisch niet mogelijk zijn. Nu worden dit soort rapporten zowel openbaar gemaakt als er een besluit is genomen en openbaar gemaakt, maar vaak worden deze rapporten ook openbaar als een daartoe is ingediend. Ik kan mij niet voorstellen dat er een andere interpretatie zal plaatsvinden als een document op verzoek wordt opgevraagd, of als dit uit eigener beweging plaatsvindt.

Uit (onder meer) de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2006 volgt dat aan het document een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb ten grondslag moet liggen, dus een besluit waaraan rechtsgevolgen zijn verbonden, waaruit rechten en verplichtingen kunnen worden ontleend voor de betrokkene bij dat besluit: ‘’Het ervoor moet worden gehouden dat artikel 8, eerste lid, van de Wob, in zoverre het gaat om het openbaarmaken van informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid waarbij belangen als vermeld in artikel 10 van de Wob zijn betrokken, de grondslag biedt voor het nemen van besluiten, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb’, Als aan de voorwaarden van een besluit is voldaan, dan kan vervolgens invulling worden gegeven aan het begrip ‘document’. Alle schriftelijke stukken die mede tot dat besluit hebben geleid, zoals externe adviezen (die zijn overigens niet gericht op rechtsgevolgen) moeten bij dat besluit openbaar worden gemaakt en de belangen in de artikelen 10, van de Wob, moeten daarbij worden betrokken. Kunnen persberichten daar dan niet toe worden gerekend?

Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 maak ik deze nuancering op. Uit deze uitspraak maak ik op dat, aan de uit eigen beweging verstrekte informatie een besluit ten grondslag dient te liggen. Een persbericht dat voortvloeit uit een handhavingsbesluit valt onder artikel 1 en 8 van de Wob ook als de vereisten van een besluit niet in het persbericht zijn overgenomen. Dan toetst de Afdeling dat besluit aan de belangen van artikel 10 Wob. Tot die belangen behoren de namen van particulieren en rechtspersonen en de overtreding waar het om gaat. Zijn die niet in het persbericht overgenomen, dan blijft het persbericht in stand, maar er is wel aan getoetst, net zoals deze belangen aan adviezen en onderzoeksrapporten worden getoetst. In de zaak van 29 mei 2019 lag aan het persbericht geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb ten grondslag en ook in het persbericht waren die vereisten die artikel 1:3 van de Awb stelt niet opgenomen. Artikel 8 van de Wob vereist uit dien hoofde dat er wel sprake moet zijn van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb maar niet dat elk document dan een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet zijn en dus ook niet een persbericht.

Randvoorwaarden Wob bij persberichten

Actieve informatieverstrekking, vindt plaats in het belang van een goede democratische bestuursvoering. De informatieverstrekking moet het algemeen belang dienen. De overheid geeft daarmee uiting aan om de uitvoering van haar taak voor een breder publiek transparant te maken. Daar hoort evenwel een afweging van belangen bij zoals aangegeven in artikel 10, van de Wob. Dat geldt ook voor persberichten. In de onderhavige zaken gaat het daarbij met name om het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. De Afdeling maakt daarbij onderscheid tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. Het algemeen belang weegt bij het noemen van particuliere personen zwaarder dan het belang van de rechtspersonen. Bij natuurlijke personen komt het belang eerder te liggen bij de natuurlijke personen.

De vraag is vervolgens op welk moment het bestuursorgaan tot actieve openbaarheid kan overgaan, zeker in handhavingszaken zoals bestuursdwang en boetebesluiten en welke informatie wel kan worden verstrekt en welke (nog) niet. Daarbij staat overigens het algemeen belang van openbaarheid voorop.

De overheid heeft een grote mate van beleidsvrijheid om te bepalen wanneer zij een besluit of een persbericht van dat besluit openbaar wil maken om een breed publiek te informeren over de uitvoering van haar beleid. Heeft een persbericht een algemene strekking, zonder een verwijzing naar een bedrijf of personen, dan kan de overheid er belang bij hebben dat een dergelijk persbericht in een vroegtijdig stadium bekend wordt gemaakt. Anders ligt het naar mijn mening bij handhaving van vermeende overtredingen van een bedrijf en dat bedrijf wordt met name in het persbericht genoemd. Ook dan kan het bevoegd gezag in een vroegtijdig stadium een persbericht laten uitgaan, maar het bevoegd gezag zal het bepaalde van artikel 10 van de Wob daarbij nadrukkelijk in acht moeten nemen en een afweging moeten maken van de belangen. Immers een bedrijf kan op grond van zo’n persbericht al economische schade lijden, doordat leveranciers en klanten het bedrijf gaan mijden, terwijl de overtreding nog niet onherroepelijk is vastgesteld. Uit de uitspraken volgt dat de Afdeling er vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel veel waarde aan hecht dat het bedrijf vooraf wordt geïnformeerd over publicatie van een besluit of persbericht, in ieder geval als dat (sanctie)besluit nog niet onherroepelijk is. Het bedrijf heeft dan de mogelijkheid om een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen teneinde de openbaarheid in die vorm te voorkomen. Daarmee wordt de verantwoordelijk bij het bedrijf gelegd. Onderneemt het bedrijf hierop geen actie, dan heeft het bevoegd gezag aan haar zorgvuldigheid voldaan en voldoet daarmee aan het zorgvuldigheidsbeginsel. Het persbericht kan zonder anonimisering worden gepubliceerd.

Getuigt het dan wel van zorgvuldigheid als zowel de overtreding als de naam van het bedrijf wordt genoemd in het persbericht, voordat het handhavingsbesluit onherroepelijk is? Eerst bij de einduitspraak in beroep komt daarover duidelijkheid. Het bevoegd gezag neemt hierbij dus een risico.

Blijkt uiteindelijk dat het besluit niet of niet geheel in stand kan blijven, dan kan een bedrijf door de eerdere publicatie schade hebben geleden – en dit komt in de praktijk ook voor – die niet voor haar rekening behoeft te komen. En dan moet naar mijn mening het bevoegd gezag in deze gevallen op de blaren gaan zitten. Er is overigens nog geen uitspraak bekend waarbij het bevoegd gezag het betrokken bedrijf geen gelegenheid heeft geboden om een voorlopige voorziening te treffen, maar in mijn praktijk maak ik mee dat persberichten wel, zonder dat die zorgvuldigheid in acht is genomen, worden gepubliceerd. Indien nadien in beroep blijkt dat een vermeende overtreding geen overtreding blijkt te zijn geweest, maar deze wel als feit ten onrechte in een persbericht is opgenomen zou er aan de kant van het bedrijf wel eens een rechtmatige schadeclaim kunnen volgen.


[1] ABRvS 8 juli 2015, 201404352/1, ECLI:NL:RVS:2015:2118

[2] Onder meer ABRvS, 03-10-2007, nr. 200701294/1; ECLI:NL:RVS:2007:BB4735 

[3] ABRvS, 31 mei 2006[3], ECLI:NL:RVS:2006:AX6362

[4] 16 november 2011, 201101375/1/H3, ECLI:NL:RVS:2011:BU4598,

[5] ABRvS, 2 mei 2018 ECLI:NL:RVS:2018:1449

[6] ABRvS, 10 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO3468

[7] ABRvS, 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9561

[8] ABRvS, 29 mei 2019, 201808543/1/A3, ECLI:NL:RVS:2019:1779

RUBRIEK: Geen categorie

Reageer