20 juni 2013
hisse
Door
hisse

Lastenvermindering bij gemeenten: het kan zonder kwaliteitsverlies.

Lastenvermindering bij gemeenten: het kan zonder kwaliteitsverlies.

Recent heb ik een opdracht afgerond voor een gemeente waarbij ik vergaande voorstellen heb gedaan tot deregulering en/of lastenvermindering van de nog steeds omvangrijke maar inmiddels wel sterk uitgedunde APV.

Is dat mogelijk en – nog belangrijker – zinvol?

Een bevestigend antwoord is hier zeker op zijn plaats, maar blijf wel nadenken.

Om dat uit te kunnen leggen maak ik onderscheid tussen dereguleren en lastenvermindering.

Deregulering betekent minder regels. Lastenverlichting kan dereguleren inhouden, maar het kan ook op een slimmere manier van uitvoering geven aan de regels.

Enkele voorbeelden.

Gebiedsontzegging: in de meeste APV’s is het verboden om zich op te houden in een gebied waar bijvoorbeeld een samenscholing plaatsvindt die er dreigend uitziet. De politie geeft aan dat je daar moet weggaan. Strafrechtelijk is er nog niets gebeurd.

Tot nu toe is er in de meeste gemeenten nog nooit sprake geweest van een samenscholing van dien aard dat de politie op die manier moest ingrijpen. Die bepaling dan maar schrappen?

Ik ben daar geen voorstander van. Niemand heeft er last, en als het een keer voorkomt – denk aan Haren waar een samenscholing gigantisch uit de hand liep – is het toch wel prettig dat je dat artikel achter de hand hebt. En financiële  lasten zijn met deze bepaling niet in het geding.

Gebiedsontzegging kan ook het gevolg zijn van stalking van personen. Maar wanneer is sprake van stalking en hoe wordt stalking bewezen? Voor mij is bij stalking een uitspraak van de rechter de aangewezen weg. Die bepaalt wanneer er voldoende bewijs is en legt een gebiedsverbod op. Een stalkingbepaling in de gemeentelijke APV lijkt mij moeilijk uitvoerbaar en handhaafbaar en zou kunnen worden geschrapt: er is een beter alternatief. Bij pedofilie kan het net weer anders liggen.

In het derde voorbeeld is het verboden om bloemen te plukken en hout te sprokkelen op openbare plaatsen. Iedereen weet dat dit niet mag. Die bloemen zijn van een ander en die mag je dus niet moedwillig plukken. Maar de kans om op heterdaad betrapt te worden is zo klein dat een dergelijk verbod eigenlijk niet handhaafbaar is. Er gaat naar mijn mening geen preventieve werking uit van die bepaling. Die kan dus worden “gedereguleerd”. Aan de andere kant: hij zit ook niemand in de weg. Moet zo’n bepaling worden bestempeld als onnodige regelgeving? In dit geval vind ik van wel.

Ander kan het liggen in het volgende voorbeeld.

In een gemeentelijke APV is het verboden zonder vergunning een paardentram voor het vervoer van personen te exploiteren.

Wat blijkt, in deze gemeente zijn er twee bedrijven die als toeristische attractie een paardentram exploiteren. Uit de memorie van toelichting wordt de indruk gewekt dat voorkomen moet worden dat teveel exploitanten elkaar zouden wegconcurreren en dat daarom het vergunningenbeleid is ingesteld om het aantal vergunningen te beperken tot twee bedrijven.

Commerciële argumenten mogen echter niet leiden tot weigering of verstrekking van een vergunning. Dat moet aan de markt worden overgelaten.

Als dit de grondslag van dit artikel is, dan moet het artikel zelfs vervallen en is er sprake van deregulering. Uit informatie kwam echter naar voren dat de twee exploitanten elkaar behoorlijk dwarszitten. De veiligheid van de openbare orde komt zelfs in het gedrang. En daar ligt weer een bevoegdheid van de burgemeester om de openbare orde en veiligheid te reguleren. Ook kunnen dan bepaalde routes worden voorgeschreven of liever worden verboden, waardoor de doorstroming van het reguliere verkeer minder wordt opgehouden. Uit dien hoofde is een vergunningplicht verdedigbaar.

Ik heb echter voorgesteld om deze bepaling te schrappen. Zo’n vergaande twist tussen concurrenten moet en kan volgens mij op andere wijze worden opgelost. Daarbij moet het reguliere verkeer er rekening mee houden dat ook ander verkeer gebruik maakt van toeristische routes. Dat is tegenwoordig naar mijn mening niet meer zo’n zorg voor de overheid.

Waar ik wel bij heb stilgestaan zijn de paardenvijgen op openbare plaatsen. Waarom zou de eigenaar van een hond wel worden verplicht om de uitwerpselen van de hond op te ruimen, en zou dat niet gelden voor de uitwerpselen van andere dieren?

Dan de lastenverlichting.

Hier twee voorbeelden.

Op grond van de APV moet de exploitant van een horeca-inrichting een vergunning hebben van de burgemeester. Veel horeca-inrichtingen hebben de mogelijkheid van een terras bij hun horeca. Dat terras ligt dan al gauw op gemeentegrond. Ook dat is geen probleem: op grond van de APV kun je een terrasvergunning aanvragen. De burgemeester kan de vergunning verlenen en hij geeft aan hoeveel tafels en stoelen je mag plaatsen en bepaalt vervolgens dat je met dat terras voetgangers niet mag hinderen. In de regel standaardvoorschriften. De terrasvergunning moet in de regel jaarlijks worden aangevraagd. Tweemaal een vergunning aanvragen en tweemaal leges betalen. Die twee aanvragen kun je in de APV samenvoegen. En waarom jaarlijks een terrasvergunning verlenen?

Wil je dus een horecavergunning en heb je geen mogelijkheden voor een terras dan vraag je die niet daarbij aan, heb je die mogelijkheden wel dan gaat het terrasgedeelte onderdeel uitmaken van de exploitatievergunning. Eén aanvraag dus één formulier (digitaal) invullen en eenmaal leges betalen. Strikt genomen valt dit onder deregulering, want er verdwijnt een vergunning uit de APV, maar ik hou het liever bij lastenvermindering voor zowel de horecaondernemer als voor de gemeente.

Maar je kunt nog verder gaan.

Een straatbarbecue is een klein evenement op één dag. Daar heb je vergunning voor nodig. Iemand moet nl. verantwoordelijk zijn al is het alleen maar voor het opruimen na afloop. Ook moet de doorgang voor fietsers en ander verkeer worden gewaarborgd. Brandkranen moeten vrij worden gehouden enz. Allemaal standvoorschriften die bij een vergunning voor een straatbarbecue in acht moeten worden genomen.

Zo blijkt in de praktijk dat nagenoeg alle vergunningaanvragen op grond van de APV worden verleend met standaardvoorschriften. Iedere vergunninghouder moet zich aan dezelfde voorschriften houden. Die voorschriften zijn feitelijk algemeen verbindende voorschriften.

Mijn voorstel is om die standaardvoorschriften dan ook als algemene regels vast te stellen en volsta eventueel met een melding. Dan weet de burgemeester – en dus ook de politie en de brandweer – dat er ergens een straatbarbecue wordt gehouden en dat kan nuttig zijn, want gedurende die tijd heeft die straat ook een andere functie.

Mijn ervaring is dat een herschikking op deze wijze het aantal vergunningen dat jaarlijks op grond van de APV wordt verleend met wel 80% kan afnemen. Dat bespaart heel veel kosten.

Gaat dit dan niet ten koste van de rechtsbescherming van anderen? Je kunt nl. geen bezwaar indienen tegen een straatbarbecue als die met een melding kan volstaan.

In de praktijk gaat dit echter niet ten koste van de rechtsbescherming.

Het is vaste jurisprudentie van de Raad van State dat als een gemeente beleid heeft geformuleerd waarbij standaard voorwaarden in acht moeten worden genomen, de gemeente daarbij een ruime beleidsvrijheid heeft. Ik heb ook nog niet meegemaakt dat een bezwaarde gelijk krijgt bij een beroep tegen dit soort voorschriften. Als voorzitter van gemeentelijke bezwaarschriftencommissies heb ik ook nooit een bezwaarschrift in behandeling behoeven te nemen voor deze vergunningen. Gebeurt dat incidenteel wel, dan is ook daar sprake van lastenvermindering.

Is uw interesse gewekt? Moet u nog verder bezuinigen in uw gemeente?

Neem eens vrijblijvend contact op.

Hisse de Vries

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer