29 mei 2015
hisse
Door
hisse

Meitellingen en Rav-codering bij vergunning Natuurbeschermingswet.

 

De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State heeft in een korte periode drie uitspraken met betrekking tot ammoniakemissie bij bedrijfsuitbreiding gedaan die van belang zijn voor vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet.

De Voorzitter van de Afdeling heeft tijdens een voorlopige voorziening met betrekking tot ammoniakemissie bij beweiding en mestuitrijden van 1 mei jl. nr. 201501163/2 een voorlopige voorziening getroffen, wegens onvoldoende motivering. Deze uitspraak wordt hier niet behandeld.

De andere twee betreffen de uitspraken van 22 april nr. 201405655/1 en van 20 mei jl. nr. 201405347/1

In de uitspraak van 22 april stond de Rav-code centraal. De Rav-code is de code die de minster aan een stal geeft. Voor elke nieuwe innovatieve stal wordt nagegaan welke ammoniakreducerende maatregelen de veehouder wil treffen. Denk aan luchtwassers en/of mestkrakers en daaraan wordt een code verbonden. De Rav commissie stelt daarbij voor proefstallen een bijzondere ammoniakemissiefactor vast die is gekoppeld aan de Rav-code.

Deze veehouder had in juli 2005 een milieuvergunning gekregen waarbij de stal de Rav code A 1.2.1 had gekregen. Bij deze code hoort een ammoniakemissiefactor van 7,5 kg per dierplaats.

De datum van verlening van deze milieuvergunning geldt bij de voorgenomen uitbreiding als referentiedatum.

Bij de behandeling van het verzoek om een Nb-vergunning kwam het college tot de conclusie dat deze Rav-code kennelijk een verschrijving is geweest. Het college acht het, gelet op eerdere en latere meldingen, onwaarschijnlijk dat de veehouderij vanaf de vergunningverlening in 2005 voor een aantal jaren in werking is geweest met een stalsysteem met deze code.

Het college heeft aangegeven dat moet worden uitgegaan van een dierenverblijf met Rav-code A 1.6.1 (thans code A 1.100.1). Hier hoort een ammoniakemissiefactor bij van 9,5 kg per dierplaats.

De afdeling overweegt dat het college dit niet heeft gestaafd met bij de vergunningaanvraag behorende documenten. Ook overigens heeft het college geen documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een verschrijving. Dat in een melding van eerdere en latere datum wordt uitgegaan van een ander stalsysteem, maakt dit niet anders. De bij het besluit van 6 juli 2005 vergunde situatie is bepalend. De ammoniakemissie in de bestaande situatie is dan ook te hoog berekend.

Anders ligt het kennelijk met de meitellingen, in ieder geval meitellingen die in de periode dat de Hinderwet van kracht was, zijn uitgevoerd.

De Hinderwet kende de bepaling dat als voor een stal (in dit geval) waarvoor vergunning was verleend, geen dan wel gedeeltelijk gedurende een periode van drie jaar geen gebruik is gemaakt, deze vergunning geheel dan wel gedeeltelijk van rechtswege was vervallen.

In de Hinderwetvergunning was het aantal dieren opgenomen waarvoor een stalvergunning was aangevraagd en verleend. Deze vergunning was bepalend voor de referentiedatum van de Nbw-vergunning.

De stelling van appellanten was dat uit drie achtereenvolgende meitelling – in de periode dat de Hinderwetvergunning gold en de Wet milieubeheer nog niet in werking was getreden – volgde dat het veebestand aanzienlijk lager lag dan in de hinderwetvergunning was vergund. Zij stelden dat in deze situatie moest worden uitgegaan van het veebestand opgenomen in de meitellingen en dat de Hinderwetvergunning voor het overige van rechtswege was vervallen. Het ging hierbij om een afwijking van 9 – 10 % met de vergunning.

De Afdeling geeft aan dat appellanten daarmee een begin van bewijs hebben geleverd en dat een afwijking van 9 – 10% niet valt te begrijpen bij een maximale veebezetting op grond van de vergunning.  Daardoor is de bewijslast bij het college komen te liggen. Het college heeft geen concrete gegevens, zoals bijvoorbeeld accountantgegevens, aan- en verkoopbonnen voor vee of een mestboekhouding overlegd welke de dieraantallen in de meitelling weerspreken. De algemene stelling dat boeren de dieraantallen structureel te laag zouden hebben doorgegeven is hiertoe niet voldoende en ook twijfel aan de beschikbaarheid van de verkoopbonnen doet hieraan niet af.

 

 

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer