14 november 2014
hisse
Door
hisse

Mestkrakers, een nieuwe ontwikkeling naar duurzaam landbouw?!

In de veeteelt zijn de mestkrakers als middel om tot duurzame landbouw te komen in opkomst.

Het uitgangspunt daarbij is dat met behulp van een mestkraker de aanwezige ammonium uit de mest wordt gehaald, dit wordt omgezet naar ammoniak en deze ammoniak, naast de ammoniak die in de stal zelf is ontstaan, door een luchtwasser wordt gevoerd en daar met behulp van bacteriën of zuren wordt geneutraliseerd.

Om de mest van  ammonium te ontdoen wordt  deze in de mestkraker bewerkt met een calciumhydroxide waardoor calciumfosfaat ontstaat dat tot  kunstmest kan worden bewerkt. [1]  Hierover is uitgebreid gesproken tijdens de bezwaarzitting op 3 november jl. Aan de orde was de aanvraag om voor een proefstal met luchtwasser en mestkraker een lagere ammoniakemissiefactor vast te stellen.

Voor een luchtwasser bestaat die duidelijkheid al langere tijd.

Voor het gebruik van de mestkraker spelen tijdens de zitting met name twee vragen.

Kan een mestkraker als onderdeel van het stalsysteem worden aangemerkt en wordt de ammoniakemissie inderdaad hierdoor verlaagd?

De eerste vraag lijkt geen discussie meer op te gaan leveren. Een mestkraker wordt weliswaar buiten een stal opgericht, maar is er technisch zodanig mee verweven dat sprake is van een onderdeel van het stalsysteem.

De tweede vraag levert meer discussie op.

De aanvrager voor een verlaagde emissiefactor heeft daarop het volgende naar voren gebracht.

Zoals bekend ontstaat ammoniak door een combinatie/menging van mest en urine.

De mest en de urine komen door de roosters in de mestkelder waarbij de mest nog beperkt ammoniakverbindingen vormt met de urine.

De mest wordt vervolgens iedere 8 uur met schuiven naar de mestkraker geleid, waar de ammonium uit de mest wordt gehaald. De vloer met tijdige afvoer levert volgens de aanvrager een reductie op tot 20% ammoniak. In de mestkraker wordt de ammonium uit de mest gehaald met calciumhydroxide en omgezet in ammoniak, daarnaast wordt calciumfosfaat gevormd. Deze ammoniak wordt via een gesloten systeem naar de luchtwasser afgevoerd, waarin deze vervolgens wordt geneutraliseerd.

De mest in de mestkraker, ontdaan van ammonium, wordt zoals aangegeven bewerkt met calciumhydroxide en de calciumfosfaat die hierbij ontstaat wordt gescheiden van de fosfaatarme mest opgevangen. Voor de veehouder levert dit een beter toepasbare meststof op dan het verwerken van gewone mest en het is beter voor het milieu nu er geen fosfaten meer in zitten.

De vraag daarbij is of deze behandeling in de mestkraker ook leidt tot een ammoniakreductie in de stal en in het bevestigende geval: is die reductie van een dermate omvang dat er sprake is van een lagere emissiefactor, want de aanvraag heeft tot doel om tot een lagere emissiefactor te komen.

De technische uitwerking zal ik u besparen, gesteld wordt dat door deze stal er een emissiereductie van ammoniak kan plaatsvinden tot 20%.

Indien vervolgens het krakingsproces bij de bepaling van de emissiefactor zou worden betrokken – dit hangt van het antwoord op de eerste vraag af, maar er lijken weinig redenen te zijn om het niet tot het stalsysteem toe te rekenen –  zou de berekende emissiereductie in de stal naar boven toe moeten worden gecorrigeerd voor het feit dat tijdens dat proces binnen de stal ammoniak wordt gelekt en de emissie vanuit de stal daarmee weer enigszins  stijgt.

Het is nu aan het bevoegd gezag om met deze nadere informatie aan de slag te gaan en deze te leggen bij de uitgangspunten die aan de beschikking ten grondslag hebben gelegen. Ik zou zeggen wordt nog vervolgd.

[1]  Daarna resteert een calciumfosfaat, waarvan de geschiktheid als meststof gering is. De oplosbaarheid van dit fosfaat is namelijk te laag, waardoor het fosfaat-ion niet beschikbaar kan komen voor de plant. Door behandeling met zuren ontstaan bekende producten, zoals (enkel)superfosfaat en tripelsuperfosfaat, met een goed wateroplosbaar fosfaat. Door calciumfosfaat te laten reageren met zwavelzuur ontstaat superfosfaat. Een meststof met 18 tot 20% fosfaat (P2O5). Omdat superfosfaat eveneens 50% gips (CaSO4) bevat, is het een goede bron voor zwavelbemesting. Bijkomend voordeel is het positieve effect van gips op de structuur. Tripelsuperfosfaat heeft een veel hoger gehalte aan fosfaat, namelijk 45% P2O5. Deze fosfaatvariant ontstaat door calciumfosfaat te laten reageren met fosforzuur.

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer