6 mei 2014
hisse
Door
hisse

Uitbreiding veehouderij en stikstofdepositie in relatie tot de Natuurbeschermingswet 1998.

Nu onder meer de superheffing wordt afgeschaft, en veel veehouderijen weer kunnen en willen uitbreiden, lopen veel bedrijven aan tegen beschermde natuurgebieden die onder de Natuurbeschermingswet 1998 vallen. Het zijn de gebieden die op grond van Europese richtlijnen, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, zijn aangewezen. De Natura 2000-gebieden nemen daarbij een bijzondere plaats in. 

Deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998.

Deze wet bepaalt feitelijk dat projecten en handelingen die significante verstorende effecten kunnen hebben voor deze natuurgebieden een vergunning moeten hebben op grond van artikel 19d.

Vergunning kan alleen worden verleend als de instandhoudingdoeleinden van deze gebieden worden geborgd. Dat betekent dat er bij schadelijke effecten – lees: een verhoging van de stikstofdepositie – er mitigerende – artikel 6, tweede lid Habitatrichtlijn – of compenserende – artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn – maatregelen moeten worden getroffen.

De provincies die met de uitvoering van deze wet zijn belast, hebben een systeem van saldering opgezet door middel van het instellen van een depositiebank.

In hoofdlijnen komt de saldering erop neer dat als een bedrijf stopt of zodanig de bedrijfsvoering wijzigt dat er minder stikstofemissie vrijkomt, deze hoeveelheid wordt ingebracht in de depositiebank. Dat kan overigens alleen als ook de milieuvergunning wordt aangepast, want de vermindering moet wel definitief zijn en mag niet slapend blijven.

Vervolgens heeft de provincie ruimte om die stikstofdepositie, die in de depositiebank is opgeslagen, in een vergunning op grond van artikel 19d Nbw 1998 uit te geven, mits de verlaging vanuit het ene bedrijf en de verhoging vanuit het andere bedrijf betrekking hebben op hetzelfde natuurgebied.

Aangezien de stikstofdepositie in Nederland nog boven de kritische grenzen liggen van de te beschermen natuurgebieden, streven de provincies er ook naar om uiteindelijk de totale hoeveelheid stikstofdepositie terug te dringen.

Dit heeft allemaal zijn uitwerking gekregen in de Provinciale Verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000, met het oog op het stellen van regels inzake de vermindering van stikstofdepositie van veehouderijen op natuurgebieden.

Maar de Europese richtlijnen zijn complex te noemen en dat heeft zijn weerslag gevonden in de implementatie in de Natuurbeschermingswet.

Tegen de besluiten van de provincies worden door milieuverenigingen massaal procedures gevoerd tot aan de Raad van State toe. En vele besluiten sneuvelen omdat de interpretatie van de wet net weer even ingewikkelder is dan werd verondersteld. Regelmatig komt het voor dat het lijkt dat een uitspraak duidelijkheid verschaft, maar de volgende keer blijkt dat in de nieuwe situatie toch weer niet helemaal vergelijkbaar is en de uitkomst net weer even anders is. Dat ook de Raad van State de wet gecompliceerd vindt blijkt uit het feit dat zowel de Raad van State als gerechten in andere landen van Europa regelmatig prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie vragen. Zo komt er in juni weer een interessant arrest van het Europese Hof over de interpretatie van artikel 6, tweede en derde lid van de Habitatrichtlijn. Het gaat hier over de zaak Briels, inzake de verbreding van de A2 nabij Den Bosch.

Meer weten? Bel gerust op.

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer