25 augustus 2015
hisse
Door
hisse

Voorlopige emissiefactoren ammoniak bij proefstallen en de Nbw-vergunning.

Onzekerheden bij bijzondere en voorlopige emissiefactoren voor proefstallen zijn geen belemmering voor het verlenen van een Nbw-vergunning.

De Raad van State heeft op 19 augustus jl. een voor veehouders belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot het vaststellen van emissiefactoren bij proefstallen.

Veehouders investeren en vernieuwen hun stallen. In die stallen worden in de regel de best beschikbare technieken (BBT) toegepast. Dit wordt verplicht onder de nieuwe Omgevingswet. Die best beschikbare technieken zorgen er ook voor dat de ammoniakemissie, en eventueel de emissie van fijn stof en/of  geur wordt gereduceerd ten opzichte van de bestaande stallen. Denk daarbij onder meer aan luchtwassers, mestkrakers, ed.

Lastig is in deze gevallen dat nieuwe technieken in de praktijk  moeten worden uitgetest om na te gaan of de berekende reductie daadwerkelijk optreedt.

Daarin voorziet de Regeling ammoniak en veehouder en de Beleidsregels voorlopige emissiefactoren.

De Regeling komt erop neer dat een aanvraag voor een proefstal wordt ingediend met onderzoeksrapporten van de technieken die in de stal zullen worden toegepast. Een deskundige commissie – de tacrav-commissie – beoordeelt de aanvraag met onderzoeken en stelt op grond daarvan een voorlopige emissiefactor vast voor de ammoniak. Die factor dient per definitie lager te zijn dan de emissiewaarde die in het Besluit huisvesting veehouderijen is neergelegd.

Voor maximaal vier proefstallen met dezelfde (BBT) technieken wordt vergunning verleend met een bijzondere emissiewaarde. Er wordt een verplichting opgelegd om, nadat de nieuwe stal is gebouwd en in gebruik is genomen, de ammoniakemissie te meten. Dat is een onderzoek van ca twee jaar. Uit die onderzoeken zal blijken of de berekende emmissiefactor overeen komt met de gemeten factor, of dat er een afwijking is die zowel naar boven als naar beneden kan uitvallen.  Aangezien zo’n procedure al snel drie jaar in beslag neemt, blijven de proefstalbouwer vaak jarenlang met een concept zitten die gedurende langere periode niet vermarktbaar is. Op grond daarvan heeft de minister de Beleidsregels voorlopige emissiefactoren vastgesteld en kan aan een vergelijkbare proefstal onder voorschriften een voorlopige emissiefactor worden toegekend.

Er is nu een procedure geweest over de voorlopige emissiefactor. De beroepsgrond was dat niet kan worden uitgesloten dat uit metingen volgt dat de voorlopig toegekende emissiefactor in de praktijk hoger uitvalt.

Dat betekent vervolgens dat meer ammoniakemissie plaatsvindt dan was berekend. Dit kan significante nadelige gevolgen hebben voor de ammoniakgevoelige habitats in Natura 2000 gebieden.

Als dit bij de aanvraag voorzienbaar was, zou de natuurvergunning zonder aanvullende maatregelen moeten worden geweigerd.

De Raad van State gaat hier niet in mee. Op basis van de kenmerken van het stalsysteem wordt aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde emissiefactor op grond van de beste wetenschappelijke kennis op dat terrein is tot stand gekomen. De vastgestelde emissiefactor die bij het stalsysteem hoort mag worden gebruikt in de passende beoordeling voor de gevolgen van het Natura 2000 gebied. De Nb-vergunning is verleend naar het recht zoals dat ten tijde van het besluit tot verlening gold. Een wijziging van de emissiefactoren na de datum van de verlening van een Nbw-vergunning kan er niet toe leiden dat een onherroepelijk Nbw-vergunning dient te worden gewijzigd of ingetrokken.

Er kan door de veehouderij opgelucht adem worden gehaald.

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer