11 september 2012
hisse
Door
hisse

Wat te leren van een gehonoreerd beroep tegen de afwijzing van een subsidieaanvraag?

Wat te leren van een gehonoreerd beroep tegen de afwijzing van een subsidieaanvraag?

Het is uitzonderlijk dat een beroep tegen een subsidieafwijzing wordt gehonoreerd. Deze situatie deed zich voor in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 augustus 2012, Zaaknummer 201109538/1/A2. Wat kunnen wij van deze zaak leren?

Eerst even een uitwijding over de uitzonderlijkheid dat dit beroep is gehonoreerd. Er wordt in vergelijking tot andere onderwerpen die onder het bestuursrecht vallen zoals vergunningen, niet veel geprocedeerd over subsidies. Als er wordt geprocedeerd dan gaat dat in 90% van de gevallen over besluiten om de subsidievaststelling lager, of zelfs op nihil, vast te stellen.

Dit heeft mijns inziens twee, niet-juridische redenen, waarbij ik enigszins chargeer om de gedachtegang kracht bij te zetten. Ten eerste worden subsidies ten onrechte nog steeds gezien als een gunst. Tegen het afwijzen van een gunst procedeert men niet zo snel als tegen het afwijzen van iets dat wordt ervaren als een recht.

Maar – en dit is de tweede reden – als het gaat om subsidievaststellingen die lager of zelfs op nihil worden vastgesteld, dan is er iets anders aan de hand. Dan gaat het om het vertrouwen van de subsidieontvanger dat  onverwacht op de
proef wordt gesteld. Want het principe dat een subsidie pas ècht wordt verkregen bij de vaststelling en niet bij de beschikking tot verlening van de subsidie blijft, net als zoveel zaken in het leven, iets theoretisch, het wordt domweg niet zo ervaren. Totdat het fout gaat, en dan pas verdiept men zich in de juridische constructie. En vaak wordt dan tegen dit besluit wel geprocedeerd.

Maar terug naar deze zaak, kunnen we er ook in juridische zin iets van opsteken? De feiten kort weergegeven: Bedrijf X vraagt een subsidie aan in het kader van de subsidieregeling milieugerichte technologie. Projecten worden beoordeeld op aspecten als  de  milieuverdienste, de slaagkans,  de kosten van het project,  enz.(artikel 1.2.1 regeling).  Tevens wordt in de beoordeling betrokken (artikel 2.2.4) de mate waarin het project een technisch en economisch risico inhoudt en de mate waarin de bedrijfskolom bij het project betrokken is.

De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat het project in onvoldoende mate zou bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het subsidieprogramma. De grondslag daarvoor is dat zowel het technisch risico, als het economisch risico, als ook de betrokkenheid van de bedrijfskolom, volgens de minister bij dit project, onvoldoende zijn.

Bedrijf X heeft de kritiek op het project in de hoorzitting van de bezwaarschriftenprocedure vakkundig gepareerd. Het bedrijf stelt dat de technische risico’s ten onrechte opeens als afwijzingsgronden worden gehanteerd, terwijl deze inherent zijn aan dit soort projecten. Ook toont zij aan dat de bedrijfskolom actief betrokken is bij dit project. Dit mag echter niet baten, ook met het besluit op bezwaar blijft de minister bij een afwijzing van de subsidieaanvraag.

Nog even een klein uitstapje: het beroep van Bedrijf X is aan het College van beroep voor het bedrijfsleven geadresseerd, dit College heeft het beroepschrift doorgestuurd naar de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State. Blijkbaar is dit  dus een subsidiebeschikking waartegen slechts in eerste en enige instantie beroep open staat bij de Afdeling.  In het kader van de rechtseenheid een uitzondering. Je kan je afvragen wat dit besluit nu anders maakt dan afwijzing van een subsidieaanvraag voor een toneelproductie, de aanleg van een natuurvriendelijke oever of voor omscholing van werknemers? Het antwoord is te vinden in het feit dat  er in de ministeriële regeling (lees de speciale subsidieregeling) die onder de Wet Milieubeheer valt, geen uitzondering is gemaakt betreffende de beroepsgang. Daarom is er voor dit soort subsidies maar beroep in één instantie mogelijk, zie het eerste lid van artikel 20.1 van de Wet Milieubeheer. Overigens staat in
de subsidiebeschikking het College van Beroep voor het bedrijfsleven als aangewezen instantie. Schijnbaar weet men bij de uitvoering van de regeling, ook niet helemaal wat de bedoeling is.

Terug naar de  kern van de zaak: kunnen we van deze zaak nog iets opsteken?

Deze casus laat zien dat het motiveren van het afwijzen van een aanvraag niet makkelijk is, en daarmee is het omgekeerde ook waar:  het aanvechten van een afwijzing van een subsidieaanvraag is wèl makkelijk, als het gaat om subsidieregelingen die enerzijds bedoeld zijn om projecten die een bepaald risico in zich herbergen te stimuleren, maar dat risico mag, gelet op de besteding van de subsidie (lees gemeenschapsgelden) weer niet te hoog te zijn. Geen duidelijk meetbare criteria dus.  En dat is bij heel veel subsidieregelingen natuurlijk het geval. Had het anders gekund?

Ja. Het ware anders geweest als de grondslag voor de afwijzing gevonden zou worden in een vergelijking van deze subsidieaanvraag met de andere subsidieaanvragen, onder druk van de uitputting van het subsidieplafond. Dus dezelfde criteria, maar dan krijg je dat dit project van bedrijf X meer economisch risico in zich draagt en minder betrokkenheid van de bedrijfskolom kent dan het project van bedrijf Y en daardoor lager in de rangorde is opgenomen. Dit soort redeneringen staan sterker.

Waarmee overigens nog steeds niet is gezegd dat het bedrijf nu zeker is dat het een positief besluit tegemoet kan zien. De minister dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer