31 juli 2012
hisse
Door
hisse

Wet voorkeursrecht gemeenten: hoe zit het met de rechtsbescherming?

Wet voorkeursrecht gemeenten: hoe zit het met de rechtsbescherming?

Voordat je het weet, ligt er een besluit tot aanwijzing van gronden op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten. Is er een vorm van rechtsbescherming voor de eigenaren van deze gronden, of moet het besluit maar lijdzaam worden geaccepteerd?

De Wet voorkeursrecht gemeenten biedt gemeenten de mogelijkheid om onverwachts en zonder ruchtbaarheid vooraf een voorkeursrecht op gronden te leggen, waardoor eigenaren verplicht zijn om bij verkoop de gronden eerst aan de gemeente aan te bieden. De reden is heel legitiem: als de gemeente planologische ontwikkelingen voorstaat moet worden voorkomen dat er prijsopdrijving optreedt.

Er zit ook een schaduwzijde aan: de eigenaren van de gronden kunnen niet meer vrijelijk over hun gronden beschikken, dit speelt met name bij vervreemden een rol en die situatie kan in het meest ongunstige geval 16 jaar aanhouden.

Hoewel de wet in haar opbouw bij de bevoegdheid tot aanwijzing van gronden enige waarborgen lijkt te geven met betrekking tot de stand van zaken van de planvorming, worden deze waarborgen per artikel waziger. In artikel 5 krijgt de gemeente, in afwijking van de voorgaande 2 artikelen, de bevoegdheid gronden aan te wijzen die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan of structuurvisie. Het is voldoende dat in het besluit tot aanwijzing van de betrokken gronden aan deze gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van de huidige bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. Hieronder moet ook een sectorale/partiële aanpassing van een structuurvisie worden gerekend. Een vereiste is dit echter niet.

Het lijkt dat de rechtsbescherming erg mager is. Weliswaar staat er bezwaar en beroep open tegen een besluit tot aanwijzing van gronden, maar de meeste bezwaargronden zullen feitelijk betrekking hebben op besluiten die nog moeten worden genomen, zoals vaststelling van een bestemmingsplan. Vaak hebben de gronden, die onder een aanwijzing vallen, in het huidige bestemmingsplan een agrarische bestemming, soms met kleinschalige bedrijfsactiviteiten en ligt het in het voornemen om er een bedrijvenbestemming op te leggen. De gronden waarop de kleinschalige bedrijfsactiviteiten plaatsvinden kunnen ook onder de aanwijzing vallen, aangezien alleen al een intensivering, resp. opschaling van bedrijfsactiviteiten gronden zijn om het voorkeursrecht toe te passen.

Toch zijn er naar mijn mening een paar aandachtspunten ten aanzien van de zorgvuldigheid die betrekking hebben op de rechtsbescherming.

In deze blog staat ter behandeling de revitalisering van bedrijventerreinen in een gemeente, waarbij de gemeente “schuifruimte” nodig heeft. De gemeente moet op bestaande bedrijventerreinen ruimte creëren en daartoe is het volgens de gemeente noodzakelijk dat maximaal  drie bedrijven moeten worden verplaatst. Daarvoor is een nieuwe bedrijvenlocatie nodig om “schuifruimte” te creëren.  Besloten  is dat bedrijven uit andere gemeenten op deze nieuwe locatie zullen worden geweerd. Eén bedrijf binnen de gemeente heeft ca 7 ha. nodig, de andere twee bedrijven maximaal 2 ha per bedrijf. Het bedrijf van 7 ha. heeft bij nader inzien geen belangstelling meer voor deze locatie. Voor de andere twee bedrijven is er (ook) ruimte te vinden op andere locaties. Kan deze ontwikkeling worden gezien als een nieuwe omstandigheid die tot een heroverweging noopt van aanwijzing van deze gronden op grond van de Wvg? Het betreft wel een vraag over de noodzaak van deze specifiek aangewezen locatie.

Daarnaast is er ca. drie jaar geleden een MER-onderzoek uitgevoerd voor de aanleg van een rondweg op de locatie van dit beoogde bedrijfsterrein. De conclusie van de Mer was dat, gelet op de hoge cultuurhistorische en landschappelijke waarden die het gebied kent, die weg alleen kon worden gerealiseerd als deze verdiept werd aangelegd. Voor een bedrijventerrein van 7 ha. is geen MER-onderzoek vereist. Wel zal bij aanpassing van het bestemmingsplan diverse  onderzoeken moeten worden uitgevoerd die grote overeenkomsten zullen vertonen met de onderzoeken die in het kader van het MER-onderzoek zijn uitgevoerd. Indien de eerdere conclusies één op één kunnen worden overgenomen, zou kunnen worden gesteld dat een uitvoering van een bedrijventerrein op deze locatie planologisch zeer ongewenst is en uit dien hoofde kennelijk niet-uitvoerbaar is. Indien op voorhand al duidelijk is dat een ontwikkeling niet kan plaatsvinden is het, op grond van jurisprudentie, een reden om de besluiten te vernietigen wegens kennelijk niet-uitvoerbaarheid.

Tenslotte is er een interessante uitspraak van de Raad van State van 11 januari van dit jaar, nummer 201000661/1. Daarin wordt een relatie gelegd met de behoefte aan kantoorlocaties welke is gebaseerd op een onderzoek waarbij is gekeken naar de huidige economische crisis en de mogelijke gevolgen daarvan voor de vraag naar kantoorlocaties. In dat onderzoek is uitgegaan van een gunstig scenario, mede op grond van verwachtingen van de betrokken bedrijven. Kort na de vaststelling van het onderzoek is men alsnog tot de conclusie is gekomen dat, mede als gevolg van een afgenomen vraag naar kantoorlocaties, er onvoldoende behoefte bestaat aan de in het bestemmingsplan voorziene kantoorlocaties. Vaak worden bij dergelijke onderzoeken naar behoefte, de bedrijven geënquêteerd naar hun toekomstverwachtingen.  Bedrijven kijken daarbij veelal verder dan de situatie tijdens de economische crisis. Ook het onderzoek dat in de onderhavige
casus is uitgevoerd, is gebaseerd op enquêtes onder bedrijven. Het beroep werd gegrond verklaard.

Al deze voorbeelden hebben rechtstreeks gevolgen voor toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten. Hoewel veel inhoudelijke gronden eerst aan de orde zijn bij de besluitvorming in een vervolg traject, dienen naar mijn mening bovenstaande gronden – voor zover deze spelen – inhoudelijk bij een aanwijzingsbesluit op grond van de Wvg te worden betrokken.

De conclusie zou dan ook kunnen zijn dat gemeenten veel ruimte hebben om toepassing te geven aan de Wet voorkeursrecht gemeenten, maar dat er gelet op de rechtsbescherming, toch (beperkte) waarborgen kunnen zijn, waaraan moet worden getoetst.

Verwacht mag worden dat in de komende jaren de jurisprudentie hierover verder zal worden uitgekristalliseerd.

 

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer