8 juni 2012
hisse
Door
hisse

Wob-verzoek om verstrekking van kieslijsten: lastiger dan je denkt!

Welke gemeente is er niet mee geconfronteerd? Wob-verzoeken waarbij de kieslijsten van de gemeenteraadsverkiezingen werden opgevraagd. Je kan je afvragen wat de verzoeker er in hemelsnaam mee moet. Verstandiger is het echter om je als gemeente goed te wapenen en het Wob-verzoek op een juiste manier af te doen. En dit laatste blijkt nog niet zo eenvoudig, te oordelen aan het aantal gerechtelijke uitspraken die beschikbaar zijn over dit onderwerp.

Wat opvalt, is dat de verschillende rechtbanken in vergelijkbare zaken niet altijd dezelfde lijn kiezen (zie bijvoorbeeld Rb Den Haag, AWB11/211 en Rb Arnhem, AWB 10/3074). En dat maakt de toch al lastige materie er niet gemakkelijker op! Gelukkig heeft de Raad van State recentelijk een aantal uitspraken gedaan die wat meer duidelijkheid geven. Voor gemeenten die nog een zitting bij de rechtbank of Raad van State voor de boeg hebben, volgt hierna een overzicht van mijn bevindingen.

In de eerste plaats moet er onderscheid worden gemaakt tussen een Wob-verzoek om verstrekking van de kandidatenlijsten, dat binnen kwam tijdens de inzagetermijn van de kieslijsten die geldt op grond van de Kieswet en een Wob-verzoek dat na afloop van deze termijn werd ingediend.
Voor de verzoeken die tijdens de inzagetermijn werden ingediend geldt het volgende (zie ondermeer ABRS 5 oktober 2011, 201012466/1/H3 en 201010713/1/H3): De Afdeling overweegt dat de Kieswet de voor de verkiezingen noodzakelijke openbaarmaking van de kandidatenlijsten uitputtend regelt. In dat verband vloeit uit het systeem van de Kieswet voort, dat gedurende de verkiezingsperiode de Wob niet van toepassing is op de kandidatenlijsten.
Voorts overweegt de Afdeling dat de Kieswet niet voorziet in besluiten tot verstrekking van kandidatenlijsten en daarom moet het verzoek om verstrekking worden aangemerkt als te zijn gericht op het verrichten van een feitelijke handeling. Dit betekent dat de brief waarin de gemeente reageert op het verzoek, niet is gericht op enig rechtsgevolg en dus ook niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Hierdoor is het hiertegen gerichte bezwaar niet-ontvankelijk.
De conclusie is dus dat de Wob niet van toepassing is op een verzoek om verstrekking van de kandidatenlijsten gedurende de verkiezingsperiode.

Anders is het als het een verzoek om kandidatenlijsten betreft die wordt ingediend na afloop van de verkiezingsperiode. De Raad van State heeft onlangs uitspraak gedaan in twee zaken en geeft daarmee een vrij duidelijke lijn weer (zie ABRS 11 april 2012, 201105784/1/A3 en 201108184/1/A3).
De Afdeling gaat allereerst in op de openbaarheid van de lijsten. Overwogen wordt dat uit vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld ABRS 18 juli 2007, 200700307/1) volgt, dat documenten die naar hun aard openbaar zijn niet nogmaals openbaar gemaakt kunnen worden. Voorts kunnen documenten die eerder op grond van de Wob openbaar zijn gemaakt, niet nogmaals op grond van die wet openbaar worden gemaakt. Bovendien is de Wob niet van toepasing op documenten waarvoor een bijzondere regeling met een uitputtend karakter, neergelegd in een wet in formele zin, de openbaarmaking regelt. Voorbeelden hiervan zijn de Kieswet en de Archiefwet.

Zoals hierboven al aangegeven regelt de Kieswet uitputtend de voor de verkiezingen noodzakelijke openbaarmaking van de kandidatenlijsten. De Afdeling stelt opnieuw vast, dat uit het systeem van de Kieswet voortvloeit dat de Wob gedurende de verkiezingsperiode niet van toepassing is op de kandidatenlijsten. Na afloop van de periode staat de Kieswet echter niet aan toepassing van de Wob in de weg. Dat betekent dat na afloop van de verkiezingsperiode in beginsel wel een beroep kan worden gedaan op de Wob.
Voor een geslaagd beroep mag de gevraagde informatie echter niet al openbaar zijn in de zin van die wet. In dat verband moet worden beoordeeld of er informatie wordt gevraagd die nog steeds voor een ieder te raadplegen is (bijvoorbeeld via een website) en informatie die dat niet (meer) is.

In het geval van de kandidatenlijsten overweegt de Afdeling dat het feit, dat de lijsten gedurende de verkiezingsperiode ter inzage hebben gelegen op grond van de Kieswet, niet betekent dat de documenten openbaar zijn in de zin van de Wob. Documenten die door toepassing van de Wob openbaar zijn gemaakt, worden geacht vanaf die openbaarmaking voor iedereen toegankelijk te zijn. Voor de kandidatenlijsten geldt dit niet: deze hebben slechts tijdens de verkiezingsperiode ter inzage gelegen en zijn nu niet meer te raadplegen en voor iedereen toegankelijk. De Afdeling verbindt hieraan de conclusie dat de lijsten niet al openbaar zijn in de zin van de Wob.
Hieruit volgt dat de Wob wel van toepassing is op een verzoek om vertrekking van kandidatenlijsten na afloop van de verkiezingsperiode. Een beslissing op een dergelijk verzoek is gericht op rechtsgevolg en is aan te merken als een appelabel besluit in de zin van de Awb.

Veel gemeenten zijn de fout ingegaan, omdat zij ten onrechte niet hebben gekeken naar het tijdstip waarop het verzoek is ingediend en in alle gevallen – ook als het verzoek is ingediend na de verkiezingsperiode- hebben geoordeeld dat het een verzoek om een feitelijke handeling betreft en een schriftelijke reactie hierop niet vatbaar is voor bezwaar en beroep. De hiervoor aangehaalde uitspraken geven aan dat het anders is.

De recente uitspraken geven echter nog geen uitsluitsel over de mogelijkheid een geslaagd beroep te doen op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, onder e van de Wob): mogen/moeten de adressen en de geboortedata van de kandidaten worden weggelakt alvorens de lijsten worden verstrekt? Diverse gemeenten hebben dit artikel gebruikt als weigeringgrond.
Feit is dat de gevraagde gegevens al op grond van de Kieswet ter inzage hebben gelegen. Je zou kunnen redeneren dat de gevraagde informatie al eerder openbaar is gemaakt en dat er om die reden geen geslaagd beroep op de weigeringgronden van de Wob mogelijk zou zijn.
Deze redenering lijkt mij desondanks wat te kort door de bocht. De (beperkte en tijdelijke) openbaarheid op grond van de Kieswet mag niet zonder meer gelijk worden gesteld met de openbaarheid op grond van de Wob. Op dit punt geldt de verplichting een nieuwe afweging te maken omtrent de belangen van het verzoek.
Mijns inziens is het echter verdedigbaar dat het algemene belang (publieke inzicht en controle op de kieslijsten) zwaarder weegt dan het privacybelang van de personen op de kieslijst. Naar mijn mening zouden de kandidatenlijsten dan ook moeten worden verstrekt en mogen hierbij geen gegevens worden weggelakt: er kan geen beroep worden gedaan op artikel 10, tweede lid van de Wob.

Overigens is het de vraag of artikel 10, eerste lid onder d van de Wob niet van toepassing zou kunnen zijn: de gegevens kunnen worden geweigerd indien het persoonlijke gegevens als bedoeld onder paragraaf 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) betreffen. Het gaat dan om gegevens betreffende iemand zijn politieke gezindheid. Artikel 16 van de Wbp houdt een verbod in tot het verwerken van persoonsgegevens betreffende iemand zijn politieke gezindheid. Artikel 19 van de Wbp geeft aan dat dit verbod om dergelijke gegevens te verwerken niet van toepassing is, indien de verwerking geschiedt door instellingen op politieke grondslag betreffende hun leden (…) of met het oog op de eisen die met betrekking tot politieke gezindheid in redelijkheid kunnen worden gesteld in verband met de vervulling van functies in bestuursorganen en adviescolleges.
Daarbij dient naar mijn mening in aanmerking te worden genomen dat het hier gaat om personen die in beginsel een publieke functie (kunnen gaan) bekleden en uit dien hoofde meer van hun privacy prijs (moeten) geven dan andere personen. Overigens wordt in het tweede lid van artikel 16 van de Wbp nog opgemerkt dat geen persoonsgegevens aan derden worden verstrekt zonder toestemming van de betrokkene.

Kortom, een op het eerste gezicht ogenschijnlijk eenvoudig Wob-verzoek kan toch lastiger zijn, dan je in eerste instantie zou verwachten. Vermoedelijk zal er over dit onderwerp nog wel meer jurisprudentie volgen!

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met S. (Susan) Schreurs via s.schreurs@devriesjuristen.nl.

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer